U kunt hier
onder klikken: Het boek: Inleiding
Hoofdstuk 1
Hoofdstuk 2
Hoofdstuk 3
Hoofdstuk 4
Hoofdstuk 5
Hoofdstuk 6
Hoofdstuk 7
Hoofdstuk 8
Nawoord
Achterkant boek LEZINGEN/VOOR-DRACHTEN & VERTALING
- In de Media
- Recensies
- Warme reacties
** Het nieuwe boek:
Chemo? Of kan ik zelf kiezen?
* Kanker anders bekeken
* Laatste nieuws
over Kanker
* Resultaten met Natriumbicarbonaat
* Chemotherapie
* Chemotherapie of 'Wie geneest heeft gelijk'
* Interview Dr. Simoncini over Natriumbicarbonaat
* Relatie HIV/Aids en Kanker
* Uw Immuunsysteem
* Cirkel van Vertrouwen
- Bestellen
- Via de boekhandel
- Literatuur
- Weblinks
- Reageren
- De Foto
- Disclaimer
|
Graag vang ik aan met de opmerking dat ik oprecht hoop bij een dergelijk controversieel onderwerp over de wijsheid te mogen beschikken de juiste toon te treffen, aangezien het geenszins mijn doel is olie op het vuur te gooien, doch om begrip te kweken voor de noodzaak, dat zo spoedig mogelijk een wezenlijk andere weg wordt ingeslagen bij de behandeling van kanker. Ik zal u dan ook vanuit de mijzelf opgelegde beperkingen niet lastig vallen met de werkelijke cijfers ter zake van vermeende resultaten bereikt met behandeling door chemotherapie.
Aangezien ik mij reeds een tiental jaren intensief en belangeloos bezig houd met de begeleiding van voor het merendeel terminale kankerpatiënten, kan mij de uit de eerste hand verkregen informatie op dit specifieke terrein moeilijk worden ontzegd; er is sprake van een onzegbaar leed!
Toch meen ik, onder behoud van het bovenstaande, een korte inleiding nodig te hebben voor de juiste beeldvorming van de onderhavige problematiek en wat is in dit geval meer onverdacht dan de verwijzing naar de schokkende cijfers, ontleend aan een uniek onderzoek van een team onder leiding van professor kinderoncologie Huib Caron van het Emma Kinderziekenhuis AMC.
De desbetreffende onderzoekers zijn in 1996 begonnen om alle kinderen op te sporen die voor enige vorm van kanker behandeld zijn in het Emma Kinderziekenhuis in de periode 1966 tot 1996; gedurende een tijdsverloop van dertig jaar derhalve.
Van alle overlevenden (!) heeft 95%, zijnde 1.362 patiënten, meegedaan aan een zeer uitvoerig gezondheidsonderzoek; de gemiddelde leeftijd van deze groep overlevenden is nu 24 jaar.
Ten behoeve van dit onderzoek werd door het AMC in 1996 de Polikliniek Late Effecten Kindertumoren (de zgn. PLEK-poli) opgezet om deze 1.362 ex-patiënten, opgespoord via de toenmalige huisartsen en de burgerlijke stand, te onderzoeken. De resultaten van het onderzoek van prof. Caron en zijn collega’s werden gepubliceerd in het jaarlijkse themanummer van het prestigieuze Amerikaanse medische tijdschrift JAMA (Journal of the American Medical Association), dat in september 2007 verschenen is. Het kan dan ook niet aan de aandacht van de medisch specialisten in Nederland ontgaan zijn!
Met het doel de strekking van het komende betoog kracht bij te zetten - en niets meer dan dat - ontleen ik enkele cijfers aan dat onderzoek en begin ik met een citaat.
Huib Caron stelt, dat zijn collega’s en hij geschokt waren door hun eigen onderzoeksresultaten; ik citeer in dat verband:
“Als kinderarts wil je kinderen genezen. Nu ruilen we één ernstig probleem in voor soms wel drie andere. Je kunt maar één conclusie trekken: we doen het als dokters niet goed genoeg.”
Een uitspraak, die naar mijn opvatting getuigt van grote en ongekende openhartigheid en een zeer hoog ethisch normbesef, voor welke ik het grootst mogelijke respect heb.
Ik geef u enkele cijfers om zijn conclusie te onderbouwen en in het juiste licht te plaatsen. De ernstige of levensbedreigende ziekten waaraan 40 procent van de overlevenden aan kinderkanker lijdt zijn een rechtstreeks gevolg van de behandelingen die ze hebben gehad.
Caron: “Het soort aandoeningen waar het om gaat komt bij 24-jarigen eigenlijk niet voor.”
Van de voormalige kinderkankerpatiënten krijgt 75 procent (!) één of meer problemen met de gezondheid als gevolg van de behandeling; 25 procent zelfs vijf of méér tegelijk!
Caron pleit er dan ook voor om iedereen die een vorm van kinderkanker heeft overleefd, levenslang onder controle te houden voor nazorg. Daardoor kan vroegtijdig ingegrepen worden als zich nieuwe ziekten voordoen en kan ernstige gezondheidsschade beperkt of voorkomen worden.
Het is dan ook vanuit deze benadering dat alle kinderen die ná 1996 voor kanker behandeld zijn, onder controle blijven van de hiervoor genoemde PLEK-poli.
Intussen hebben alle zeven kinderoncologische centra in Nederland een dergelijke poli en deze centra hebben hun werkwijze onderling op elkaar afgestemd en afgesproken wat de beste manieren zijn om late gevolgen van behandelingen vroegtijdig op te sporen. Tevens hebben ze vastgesteld voor welke late gevolgen van behandeling die vroege opsporing zinvol is; vermeldenswaard in dat verband zijn onder meer psychische problemen en secundaire kankers.
Met name die secundaire kankers zullen hierna mede onderwerp zijn van mijn pleidooi.
De samenwerkende oncologen leggen op dit moment de laatste hand aan een lijst met tientallen late gevolgen van kindertumoren waarvan vroege opsporing belangrijk is.
Tot slot van mijn inleidende opmerkingen zij dan nog opgemerkt, dat het onderzoek van het AMC-team zijn weerga in de medische wereld niet kent. Er is nog nooit een onderzoek gedaan naar alle gezondheidsgevolgen van de medische behandelingen die kinderen met kanker hebben gehad. Tot dusverre beperkte dat onderzoek zich altijd tot slechts één vraag, bijvoorbeeld of de darmkanker waarvoor een kind genezen was, op latere leeftijd terugkeerde. Wellicht geeft dit ook u enige inzage in de betrouwbaarheid van de ons verstrekte informatie met betrekking tot de statistieken in relatie tot chemotherapie voor zover het de genezingsclaim aangaat!
We dienen ons in het licht van bovenstaande te realiseren, dat de medisch specialist bij de behandeling van kanker slechts zeer beperkte mogelijkheden tot zijn beschikking heeft.
Chemotherapie put de cellen van het merg en het bloed drastisch uit; chemotherapie vergiftigt de lever op onomkeerbare wijze, zodat deze belemmerd wordt om nieuwe verdedigingselementen aan te maken; chemotherapie vernietigt meedogenloos de zenuwcellen, waardoor het reactievermogen van het aangetaste orgaan verzwakt en wordt overgeleverd aan de genade van de indringer.
Bestraling kan bij enkele tumoren een zeer goed en snel wapen zijn, te weten bij afgebakende locaties op het bot - maar dan met simultane toediening van geneesmiddelen ter bescherming van het botweefsel - en bij lymfklieren.
Operaties zijn in bepaalde gevallen en op beperkte wijze uiterst nuttig; als voorbeelden mogen daarbij gelden neoplasmata in de darmen en alle testikeltumoren.
Om aan deze beperkingen en de geschetste nadelen tegemoet te komen is het een goed uitgangspunt om vast te stellen, dat de genetica in de loop van de achterliggende decennia een te sterk accent heeft gekregen en dat het nu de hoogste tijd wordt om in ons denken plaats te maken voor het inzicht dat degeneratieve ziekten niet expliciet behoren te worden toegeschreven aan genetische en omgevingsfactoren, doch dat tevens infecties daar een gerechtvaardigde plaats hebben.
In dat geval wordt het antwoord op de vraag naar wat een ziekte veroorzaakt, gevonden in het vakgebied van de microbiologie en zullen we het accent moet verleggen naar het onderzoek op het terrein van virussen, subvirussen en schimmels. Er blijkt een grote samenhang te zijn tussen micro-organismen en degeneratieve ziekten; met name de mycologie (de leer over het rijk der schimmels) zou wel eens de juiste antwoorden kunnen verschaffen op het fenomeen van de tumoren. Meer expliciet gesteld: ik hoop uw aandacht te kunnen vasthouden voor de geldigheid van de redenering dat een schimmelinfectie - vooral door candida - de verklaring kan zijn voor het ontstaan van een tumor; sterker nog, dat - evenals in de plantenwereld - alle soorten kanker voortkomen uit een schimmel.
Vanuit het adagium ‘Wie geneest, heeft gelijk’ zal ik naast de argumentatie voor deze benadering tevens enkele concrete behandelingsgevallen vanuit deze visie onder uw aandacht brengen.
De hierna volgende beschouwingen zijn ontwikkeld door dr. Simoncini; hij is naast oncoloog, tevens chirurg, endocrinoloog, diabetoloog, doctor in natuurkunde en filosofie en twintig jaar hoofd afdeling oncologie geweest in een ziekenhuis in Rome. Zijn ervaring heeft aangetoond, dat natriumbicarbonaat (vanaf nu kortweg ‘bica’) de enige bekende stof is, die algemeen effectief is tegen neoplasmata; de autonome groei van cellen of weefsels tot goed- of kwaadaardige gezwellen. De bewijsvoering daarvoor werd verkregen via jarenlange ervaring met parenterale toediening, zijnde langs een ándere weg dan via het darmkanaal, dus intraveneus (via een ader), via arteriële port-a-cath (via een geëigende slagader) dan wel via holtes rechtstreeks in het weefsel.
De theorie - en nu komen we op een uiterst discutabel terrein - waarbij vraagtekens moet worden geplaatst, behelst de opvatting dat een tumor wordt bepaald door een reproductieve celafwijking. Ipso facto zijn dan ook de daarvan afgeleide theorieën niet langer houdbaar, te weten:
- het concept van auto-immuniteit: de vorming van antistoffen tegen de eigen lichaamsweefsels en
- een bij kanker geldende afwijking van de genetische structuur, die zorgt voor een ontwikkeling in zelfvernietigende richting.
Voor de genetische theorie van kanker gelden twee basisstellingen die de spil vormen van dat denksysteem en van de oncologische bespiegelende wijsbegeerte:
- de ongecontroleerde groei hangt af van een aantasting van de groeimechanismen, die wordt veroorzaakt door een degeneratie, een falen van de genen;
- de tumor is een massa cellen, die geneigd is steeds verder te groeien; een overdreven celvermeerdering.
De oorzaak van deze gesuggereerde ongecontroleerde vermeerdering ligt - volgens de huidige opvattingen - in een falen van enkele delen van het DNA; in het bijzonder van die, welke bestemd zijn voor de productie van de moleculen, die nodig zijn voor de celvermeerdering.
Tot dusverre heeft echter niemand ooit het verband aangetoond tussen overproductie van cellen en carcinogeniteit, tussen mutagenese en kwaadaardige transformatie, tussen overproductieve effecten van cellen die in vitro worden vastgesteld en tumoren, die aanwezig zijn in patiënten van vlees en bloed.
Kanker en genetica blijken echter niets met elkaar te maken te hebben; de relatie die er echter wél ligt is de kwetsbaarheid van een specifiek orgaan en genetica. Dit lijkt een woordenstrijd, doch schort uw oordeel nog even op.
Een mogelijke indeling van ziekten is de volgende:
- autogene ziekten: deze komen van binnenuit en omvatten alle energetische evenwichtsverstoringen en insufficiënties, die voortkomen uit het individu; mentaal, intellectueel, psychisch, spiritueel, voeding, genetisch en gestel;
- exogene ziekten: komen van buiten, hebben een externe herkomst en betreffen de kwalen waar het organisme door getroffen wordt vanwege omgevingsomstandigheden, ongevallen en infecties;
- gemengde ziekten: bevatten elementen van zowel de ene als de andere en betreffen alle ziekte-entiteiten waarbij sprake is van een onderlinge afhankelijkheid van de twee genoemde gebieden. (met een bijzondere verwijzing naar de interactie tussen persoonlijke elementen en infecties)
Om de gezondheidstoestand in een concrete situatie te verbeteren, om op het gebied van research resultaten te boeken en om de huidige ziekte-entiteiten te bestrijden, dient men tegelijkertijd op zowel holistisch als op allopatisch vlak op te treden, met behulp van de wapens van een verstandig levensevenwicht en een verdediging tegen externe aanvallen. Alleen wanneer menselijkheid, klinische geneeskunde en proefnemingen met elkaar verenigd blijven, kan de ondubbelzinnige interpretatiedynamiek verworven worden, die nodig is om de complexe causale stappen van ziekten te onthullen, waarachter de verschijnselen liggen die nu met de huidige statische onderzoeksmethoden ongrijpbaar zijn.
Een wezenlijk fundament in dat onderzoek dient, zoals hiervoor reeds gememoreerd, de microbiologie te zijn. Immers, het moge duidelijk zijn dat bij het fenomeen kanker de hypothese dat de oorzaak daarvoor autogeen is (lees: ‘vanzelf plaatsvindend’) op zijn minst als uiterst speculatief gekenschetst dient te worden!
Immers, waaróm zou een fysiologisch functionerend mechanisme opeens, uit het niets, een zelfvernietigend proces gaan aanvangen in ongeacht welk anatomisch deel van het lichaam?
En waaróm tast kanker nooit de spieren aan? Waaróm nestelt het zich veelvuldig in reeds bestaande pathologische omstandigheden, zoals een reeds actuele maagzweer, een cirrose, een polypose, etc.?
Waaróm leidt kanker zelden tot zeer hoge koorts (buiten de terminale fasen)?
En, minstens zo verbazingwekkend en tot nadenken stemmend: Waaróm wekt het bij de behandelend specialist - die toch uitgaat van de gangbare oncologische visie dat het proces van binnen uit en autogeen ontstaan was - geen grote verbazing, dat tijdens zo’n proces van zelfvernietiging in de zeldzame gevallen van spontane genezing dit proces zich even plotseling in omgekeerde richting kan voltrekken? Het is dan ook veel logischer, en dat beeld zullen we trachten aan u over te dragen, dat een tumor een ziekte is, die (a) wordt bepaald door een externe aanval, die (b) wordt gestimuleerd door bepaalde organische omstandigheden (we komen daarop terug), die (c) zich in de eerste plaats voornamelijk locaal ontwikkelt, maar (d) vervolgens het organisme in zijn totaliteit kan aantasten tot aan uittering daarvan.
Welnu, een externe aanval (sub a) kan bij levende structuren afkomstig zijn van andere levende structuren, hetgeen een infectie impliceert, waarvoor derhalve uitsluitend een verklaring gevonden kan worden bij de microbiologie, zijnde het terrein van bacteriën, virussen en schimmels. Binnen deze mogelijkheden is een schimmel de meest logische, en wel een variant die in bepaalde mate ziekteveroorzakend (pathogeen) is gebleken voor de mens, te weten candida. Let wel: de schimmel is niet als enige in staat om de incubatie, de verspreiding, het verloop en de symptomatologie van kanker te verklaren. Ook enkele klinische aspecten spelen hier een rol.
Bij een bacteriële infectie is er meestal sprake van een hoge mate van uitputting en regressie in korte tijd en deze gaat gepaard met hoge koorts; het openbaart zich en vindt plaats in een bepaald orgaan en binnen een precies tijdsbestek. De ziekteverschijnselen van bacteriële oorsprong, met een duidelijke neiging om chronisch te worden, behoren tot dat soort kiemen, die een hoog gehalte aan vetzuren in hun structuur hebben. Een virale infectie wordt gekenmerkt door een zodanige snelheid met een daaruit voortvloeiende koorts, dat deze soms in een flits plaatsvindt vanwege de zeer kleine afmetingen die een directe verspreiding mogelijk maken. We haken in dit verband even in op een zeer recente analyse, vermeld in het toonaangevende blad The Lancet, waarbij via verschillende onderzoeken werd aangetoond dat hiv-positieve mensen op de lange duur een hogere kans hebben op een aantal soorten kanker; hetzelfde geldt voor transplantatiepatiënten. Bij mensen met hiv werd een verhoogd risico gevonden voor die typen kanker, die met name veroorzaakt worden door virussen en bacteriën.
Enkele voorbeelden: baarmoederhalskanker en anale kanker, Hodgkin lymfoma en non-Hodgkin lymfoma, leverkanker (hepatitis C) en maagkanker (Helicobacter pylori).
Tekenend hierbij is de kop in het NRC: ‘Uitzaaiing van kanker begint vaak met een ontstekingsreactie’.
Alvorens verder te gaan zullen we, voor een beter begrip van onze redenering, dus eerst wat aandacht dienen te besteden aan het fenomeen schimmel.
Schimmels voeden zich door directe absorptie van oplosbare organische verbindingen; ze kunnen zowel ééncellig als meercellig zijn en ze hebben een duidelijke kern.
In relatie tot kanker is het essentieel te weten, dat ze over een uiterst markante eigenschap beschikken, te weten dat ze een microscopische basisstructuur hebben (hyfe), máár tegelijkertijd enorme afmetingen kunnen krijgen (kilo’s), waarbij (let wel) het vermogen tot aanpassing en reproductie ongewijzigd blijft, ongeacht de reeds bereikte grootte!
Het zijn dus géén ‘organismen’, doch cellulaire samengroeisels, die zich gedrágen als een organisme, omdat elke cel onverminderd het vermogen tot overleving en reproductie behoudt, ongeacht de structuur waarin deze zich bevindt. Schimmels zijn afhankelijk van andere levende wezens (organen) door zich te voeden met organisch afval (de nog gelukkige situatie, waarover straks meer) of door het weefsel van de gastheer rechtstreeks aan te tasten.
De reproductiecyclus vindt plaats door middel van ééncellige of meercellige sporen, onzichtbaar voor het huidige geneeskundige instrumentarium. De aandachtige lezer ziet hier wellicht de verklaring voor de door de chirurg/laborant geachte ‘schone snijvlakken’, terwijl achteraf toch blijkt - zoals bij mijn broertje en zusje het geval was - dat uitzaaiing reeds had plaatsgevonden.
Het polymorfisme van de schimmel geeft een dusdanige biologische flexibiliteit, dat dit een onbeperkt aanpassingsvermogen geeft in het lichaam van de patiënt en daarmee een onbeperkte pathogene (ziekteveroorzakende) potentie. Ze kunnen vanuit de basisopbouw gespecialiseerde structuren ontwikkelen in de vorm van een ‘snavel’ waarmee het bindweefsel kan worden binnengedrongen. De door de schimmel geproduceerde sporen zijn zeer goed bestand tegen externe aanvallen - denk hierbij aan bv. chemo - en kunnen, indien de omgevingscondities er naar zijn, jarenlang slapend blijven en daarbij onverminderd hun regeneratieve vermogen behouden. Voor een goed begrip in relatie tot kanker nog het volgende: schimmels zijn in staat om wijzigingen in hun eigen metabolisme aan te brengen, teneinde de weerstandmechanismen van de gastheer, in casu het immuunsysteem van de patiënt en het bedreigde orgaan, te overwinnen. In bepaalde gevallen is het aanvallend vermogen van schimmels dermate groot, dat een ring, bestaande uit slechts drie schimmelcellen, een prooi, ondanks wanhopige pogingen tot verweer, in korte tijd kan omvatten, opsluiten, doden en consumeren.
Schimmels bij de mens
In wezen zijn schimmels een wezenlijk onderdeel van de voorzienigheid van de kosmos. Ze vormen de opruimdienst in de gehele natuur en dragen er zorg voor, dat alle zieke en dode organismen (denk aan bomen, appels etc.) keurig worden ‘weggegeten’ en dat ruimte wordt behouden voor nieuw leven.
De voor mensen ziekteverwekkende schimmels zijn klein in aantal. Ze veroorzaken ziekten, die mycosen worden genoemd en die kunnen worden onderverdeeld in oppervlakkige mycosen (huid, beharing en nagels) en diepe mycosen (longen, darmen, hersenen, botten e.d.).
De classificatie geschiedt in tien groepen, waarvan er slechts één in aanmerking komt als verantwoordelijk voor kanker, te weten candida.
Candida komt - in kleine hoeveelheden - bij ons allemaal voor, te weten in de mond, in de vagina, in de darmen en op de huid. Waar candida echter beslist niet mag voorkomen is in onze bloedbaan, want daar ligt de basis voor de problematiek. Een belangrijke vraag, ter voorkoming daarvan, is derhalve hoe candida in ons bloed terecht kan komen? Het antwoord op die vraag kan wellicht mede verklaren waarom kanker steeds vaker bij ons blijkt voor te komen.
Onze darmflora - als essentiële darmbacteriën noem ik onder meer acidophilus, bulgaricus en bifidum - is niet bestand tegen antibiotica. Veel artsen verzuimen helaas om bij het voorschrijven van antibiotica probiotica te adviseren tijdens en na de kuur. Het resultaat van dit verzuim is tweeërlei:
1) een chronisch tekort aan probiotica in ons maagdarmkanaal leidt tot een scala aan gezondheidsproblemen; probiotica zijn bedoeld om het lichaam te helpen de juiste gisthoeveelheden te behouden. Een bijkomend probleem is daarbij dan nog, dat een met zorg gekozen en uitstekende voeding het gestelde doel niet bereikt, omdat de darmflora niet aanwezig is om de benodigde stoffen uit die voeding aan te reiken aan ons organisme, met als gevolg een achteruitgang van ons zo belangrijke immuunsysteem.
2) de candida daarentegen, die helaas wél bestand is tegen antibiotica, verkrijgt door de antibiotica en het daarmee verdwijnen van de darmflora, een dominante positie.
Naast antibiotica zijn er nog andere oorzaken voor het optreden van die dominante positie in onze spijsvertering, te weten langdurige stress, verkeerde eetgewoonten, hormonale onbalans en het gebruik van de pil.
Een signaal voor de afwezigheidvan darmflora vormt de eigenschap van onze ontlasting en de frequentie daarvan. Met “eigenschap” doel ik op een al dan niet onwelriekende geur. Ontlasting dient – bepaalde ingenomen voedingsstoffen daargelaten – in principe reukloos te zijn. Verder dient deze ontlasting zich dagelijks (idealiter tweemaal daags) op een vrijwel constant tijdstip aan te kondigen.
Tot dusverre nog geen problemen in relatie tot ons onderwerp kanker, zolang candida zich maar binnen het maagdarmkanaal bevindt. Echter, op den duur kan candida penetreren door het darmslijmvlies, veroorzaakt daarbij een grotere doorlaatbaarheid van de darmwand, en maakt haar entree naar onze bloedbaan. Ook nu vooralsnog geen probleem, zolang candida zich tevreden kan stellen met organische afvalstoffen!
U begrijpt waar ons betoog in uitmondt: zodra ergens in ons lichaam een orgaan door externe omstandigheden kwetsbaar wordt (of als gevolg van genetische oorzaken kwetsbaar is en door externe oorzaken wordt belaagd) beperkt de candida zich niet meer tot het opruimen van afvalstoffen.
Alhoewel de hoofdfunctie van het bindweefsel van de organen ligt in de voorziening van de orgaancellen met voedingsstoffen, vindt nu in het bindweefsel dus de strijd plaats tussen enerzijds de cellulaire elementen van het desbetreffende organisme en anderzijds de schimmelcellen, die proberen om steeds grotere hoeveelheden voedingsstoffen te absorberen (lees: de groei van de zgn. ‘tumor’) om het aangetaste orgaan uiteindelijk volledig te consumeren en al doende plaats te maken voor de cellulaire samengroeisels, die zich gedrágen als een organisme en daarmee de specialist misleiden in zijn diagnose darmkanker, leverkanker, etc.
Anders gesteld: principieel gezien bestaat er dus slechts één tumor! We lichten zulks straks nader toe.
Naast het gegeven, dat niet de kanker genetisch bepaald is, doch de kwetsbaarheid van een specifiek orgaan (vergelijk families met een erfelijk risico op hartfalen, huidklachten, maagklachten, etc.) heeft bovendien recent onderzoek uitgewezen, dat genetisch materiaal geenszins onveranderlijk vastligt. Het DNA heeft niet de leiding, doch reageert door keuzes te maken, gebaseerd op onze perceptie van onze omgeving. Als bv. een cel stress ondervindt, doch niet beschikt over het genetisch programma daarmee om te gaan, dan kan die cel een reeds bestaand genetisch programma herschrijven; muteren in het DNA derhalve!
Ik kan niet aan de verleiding weerstaan om aan dat DNA hier wat meer aandacht te besteden.
Enerzijds om het fenomeen “zelfgenezing” – waarin ik in mijn boek een apart en omvangrijk hoofdstuk heb gewijd – nu ook vanuit het DNA nader te kunnen onderbouwen. Anderzijds om de oncologie nog eens nadrukkelijk te wijzen op haar decennia geleden geformuleerde uitgangspunt voor wat betreft haar hypothese (want méér dan dat is het immers niet), dat de ongecontroleerde groei van tumoren zou afhangen van een aantasting van de groeimechanismen, veroorzaakt door een falen van enkele delen van het DNA; in het bijzonder van die, welke bestemd zijn voor de productie van de moleculen die nodig zijn voor de celvermeerdering.
Ik neem u daartoe mee naar een zeer recent artikel in het gezaghebbende blad Science. Het betreft het gevolg van overbevissing, waarbij door onder meer onderzoekers van het visserijinstituut Wageningen Imares werd vastgesteld, dat bedreigde vissoorten zich door wijzigingen in hun DNA (!) langs twee wegen biologisch aanpassen:
- de vissen beperken zichzelf in hun groei om uit de mazen van de netten te kunnen blijven en, nog spectaculairder,
- ze worden een jaar eerder geslachtsrijp, om daardoor een grotere kans te hebben zich nog tijdig te kunnen voortplanten!
Het is dus overduidelijk, dat het DNA niet de leiding heeft, doch reageert door keuzes te maken, gebaseerd op externe invloeden; het reeds bestaande programma wordt herschreven en leidt tot mutaties in het DNA.
Een en ander verklaart tevens de “spontane genezingen” en het belang van een vereiste psychische attitude tijdens en na de diagnose van kanker. Een DNA dat dermate ontvankelijk is voor het weerstaan van iedere bedreiging, kan moeilijk onderwerp zijn van een door specialisten geformuleerde hypothese, leidend tot spontane en ongeremde zelfvernietiging. Het DNA kan kwetsbaarheid van specifieke organen als oorzaak hebben, doch niet aanzetten tot een zelfvernietigend proces!
Het tweeledige probleem
Het falende immuunsysteem en de externe invloeden. We kennen de factoren, die ons immuunsysteem verzwakken en kunnen ondermijnen; ik noem er enkele:
- nooit ziek geweest, waardoor ons immuunsysteem rudimentair is geworden; ik noem in dat verband hier het pleidooi van Rudolf Steiner om geen koortsonderdrukkende middelen te gebruiken;
- operaties onder volledige narcose, waardoor ons immuunsysteem maandenlang inactief is. Wie kent niet de voorbeelden van oude(re) mensen, die een operatie met gunstig gevolg ondergaan, doch een maand later aan longontsteking overlijden! Jammer, was niet nodig;
- langdurige stress.
- psychische traumata, etc.
De externe invloeden: roken, asbest, bacteriën, virussen, chemische toevoegingen aan ons voedsel, kwaliteit van ons drinkwater, uitlaatgassen, etc.
Deze factoren, eventueel versterkt door genetische kwetsbaarheid, zetten een specifiek orgaan onder druk, waarbij in de aanvankelijke fase het desbetreffende organisme nog in staat is om RIJPE orgaancellen als afweer tegen de candida-invasie in stelling te brengen en derhalve nog als een gedifferentieerde tumor te herkennen door de specialist, die bv. een leverkanker diagnosticeert.
In de volgende fasen wordt het desbetreffende orgaanweefsel steeds onrijper en is uiteindelijk niet meer als levercellen te herkennen. Anders gesteld: dezelfde candida kan zowel als prostaatkanker als borstkanker worden gediagnosticeerd! We kunnen dit langs een volkomen andere weg adstrueren: Zouden we DEZELFDE stekel van een zee-egel eerst in de huid, daarna in de bronchiën, het bot en de hersenen enten, dan wordt er een immuniteitsreactie van het desbetreffende CELLULAIRE type opgewekt, die poogt om die stekel in te kapselen, oftewel een soort cocon te vormen om deze in te sluiten.
Welnu, op precies dezelfde wijze benadert het immuunsysteem de candida als vreemd lichaam, die ook hier een reactie van inkapseling oproept en wordt uitgevoerd met het type cel van het binnengevallen weefsel - bv. van de lever, leidend tot de diagnose leverkanker - en geeft conform aanleiding om te spreken van bv. bot-, hersen- en klierkanker. Met andere woorden: dezelfde stekel of dezelfde schimmel kan dus zowel klierkanker, als beenkanker als een glioblastoom veroorzaken!
Terug naar de hoofdlijn, waarbij het wellicht nuttig is een ogenblik stil te staan bij de pathologische parallel in de ontwikkeling van kanker en candida. Is het inmiddels niet logischer om te veronderstellen dat de parallel een understatement is, dat ze samenvallen en dat ze kunnen worden aangemerkt als één en dezelfde ziekte?
Een overzicht van de analogieën tussen kanker en candida, gezien vanuit de kenmerken van candida
- Een alomtegenwoordige verspreiding; geen orgaan of weefsel blijft gespaard.
- Constante afwezigheid van hoge koorts
- Sporadische betrokkenheid van spieren en het zenuwstelsel
- Een vrijwel exclusief focale vorm (vanuit een ‘haard’) van binnendringen
- Progressieve verzwakking
- Ongevoeligheid voor behandeling
- Proliferatie, die wordt bevorderd door een veelvoud aan indifferente medeoorzaken
- Symptomatische basisconfiguratie met een structuur die geneigd is chronisch te worden
- Veelvuldige formatie van weefselmassa’s die in morfologisch opzicht lijken op neoplastische massa’s
Eén van de verklaringen waarom candida nog steeds niet wordt geaccepteerd in haar relatie tot kanker ligt in de omstandigheid dat candida zich ook kan manifesteren in uiterst kleine dimensies.
De schimmel is dermate klein, dat ze niet kan worden waargenomen met de huidige onderzoeksinstrumenten in de geneeskunde. Dit resulteert met betrekking tot oncologisch onderzoek in de alarmerende situatie, dat deze schimmelcel een zeer hoog pathogeen (ziekteverwekkend) vermogen combineert met een uitzonderlijk kleine afmeting, niet gevonden wordt met de huidige onderzoeksmethoden, desalniettemin vanuit klinisch opzicht niet kan worden ontkend, doch zeer hardnekkig recidiveert in een onomkeerbare en chronische richting.
Hoe verloopt namelijk dat proces?
Wanneer de candida bij de vitale mens wordt aangevallen door het immuunsysteem of door een behandeling (lees: chemo/bestraling), dan beschermt de schimmel zich onmiddellijk door te veranderen in steeds kleinere en ongedifferentieerde, doch nog volledig vruchtbare, elementen; tot aan het verbergen van de eigen aanwezigheid toe, zowel voor het organisme van de mens waarop hij parasiteert als voor diagnostische onderzoeken. Dit verklaart, dat zowel mijn vader, als mijn broertje en zusje na behandeling werden gerustgesteld met de melding dat het proces onder controle zou zijn. Nadien was het dan ook verder geen verrassing meer voor mij bij de jarenlange begeleiding van terminale patiënten. De oorzaak ligt in het uitzaaiingsfenomeen van de primaire kanker, dat zich onttrekt aan de waarneming van zowel de scan als het laboratoriumonderzoek. Ik refereer in dit verband aan de resultaten van het in de inleiding vermelde onderzoek van Huib Caron voor wat betreft de signalering van secundaire kankers bij de vroeger met chemo behandelde kinderen!
Hetzelfde kan zich voordoen bij de beoordeling van de snijvlakken bij een vermeende geslaagde operatie.
Wanneer er daarna gunstige omstandigheden voor verspreiding ontstaan, dan breidt de candida zich bloeiend uit op een epitheel (een vitale oppervlakte van een orgaan), maar zodra echter de weefselreactie op gang komt verandert de candida weer massaal in sporen, zijnde de minder productieve, maar voor chemo onaantastbare vorm.
Indien echter in het bindweefsel, dat rechtstreeks in contact staat met de candida, de specifieke structuren uiteen zijn gevallen, is de normaal aanwezige barrière tussen epitheel en bindweefsel vernietigd en heeft candida vrij spel. Naarmate dan de schimmelkoloniën sterker worden en het orgaanweefsel uitgeput raakt, worden die orgaancellen steeds onrijper totdat er sprake is van anaplasie (cellen zónder structuur) en dus niet meer als levercellen te herkennen. Samenvattend: de candida maakt gebruik van een structurele onderlinge verwisselbaarheid, die hij hanteert al naar gelang de aanwezige moeilijkheden in zijn eigen biologische niche.
De metastase
Tot slot enkele woorden over de uitzaaiing.
Volgens de klassieke reguliere benadering behelst uitzaaiing ‘het zich losmaken van kwaadaardige cellen uit de primaire locatie van de kanker en het zich verplaatsen naar een ander anatomisch gebied’.
Volgens de microbiologie is er echter geen sprake van een ‘dolgedraaide cel’ - conform het standpunt van de oncologie - maar van een infectieuze schimmelcel, die erin geslaagd is een ander orgaan of weefsel te koloniseren, waarbij de mogelijkheid tot dat koloniseren en de locatie(s) van de metastase(n) afhangen van de gezondheidstoestand van die organen en weefsels. Anders - en positief - gesteld:
- géén metastase, wanneer de andere organen, indien deze gezond (!) zijn, beschikken over een hoog reactief vermogen.
- een metastase op díe plaats, waar een orgaan een verzwakte cel- of weefselstructuur vertoont en méérvoudige metastasen op verschillende plaatsen wanneer het gehele organisme aan het afsterven is en alle organen worden aangevallen.
Uiteraard impliceert het bovenstaande dat, alhoewel operaties in bepaalde gevallen onvermijdelijk zijn (gegeven de ernst bij de diagnose én als de zekerheid bestaat dat de tumor vooralsnog ingekapseld is), elke operatie, chemo en bestraling, die een bepaalde mate van schadelijkheid hebben voor het daarbij betrokken weefsel, uiterst gevaarlijk kan zijn, omdat juist op deze manier de uitzaaiing kan worden bevorderd. Het daardoor ontstane weefselletsel van het daarbij betrokken orgaan is nu immers ontvankelijk voor de invasie van candida.
Graag wil ik nu het bovenstaande betoog eens projecteren op een op 10 oktober 2007 verschenen artikel in de Telegraaf. Ik citeer:
“Australische onderzoekers hebben een doorbraak gemaakt in hun onderzoek naar de mysterieuze ziekte, die in de afgelopen tien jaar 90 procent van de Tasmaanse buidelduivels (vleesetend zoogdier) uitgeroeid heeft. Het gaat om een vorm van gezichtskanker. Deze in Tasmanië levende buidelduivels geven de tumorcellen aan elkaar door als ze elkaar bijten tijdens het vechten. Omdat de Tasmaanse duivels genetisch heel erg gelijk zijn aan elkaar, herkent hun lichaam de tumorcellen niet als vreemd. Wetenschappers zijn sinds het opduiken van de ziekte tien jaar geleden (!) bezig de inmiddels bedreigde diersoort te redden”.
De cursiveringen zijn van mij met als doel de relatie met ons betoog te kunnen herkennen.
Niemand, dus ook ik niet, zal ontkennen dat de Tasmaanse duivels genetisch aan elkaar verwant zijn. Dat gegeven staat echter op geen enkele wijze in relatie tot een vermeende kanker. Het spoort natuurlijk uiteraard wél met de reeds decennia geldende opvattingen in de oncologie!
Hier blijkt maar weer eens uit wat de gevaren zijn van vermeende axioma’s (genetische oorzaak voor kanker) en de daaruit voortvloeiende verspillingen in het wetenschappelijk onderzoek. Dat onderzoek is beslist nuttig, doch het vereist een voortdurend kritisch bezien en bijstellen van de aangenomen vertrekpunten. Ik herhaal nog maar eens: niet kanker kan erfelijk zijn, maar de kwetsbaarheid van een specifiek orgaan. Wat hier aan de orde is, is de combinatie van bijten (letsel), de in de mond van de bijter zich bevindende candida en de overdracht van de candida naar de wond van de gebeten Tasmaanse duivel. De kracht van het immuunsysteem van de gebetene zal het verdere verloop bepalen; de genetica heeft hiermee niets van doen!
De blijde boodschap
Na onze beschouwingen over kanker en candida wordt het de hoogste tijd om ons af te vragen wat de substitutie van kanker door candida ons voor nieuwe perspectieven biedt.
Het is mijn overtuiging, dat we de oncoloog Simoncini moeten danken voor zijn baanbrekende inzicht. Het geeft ons nu eindelijk de mogelijkheid om de verschrikkingen van chemotherapie achter ons te laten en - zo mogelijk nog belangrijker - nu eindelijk te mogen vertrouwen op een succesvolle behandeling; voorop gezet, dat de desbetreffende patiënt niet reeds volledig is uitgeput door chemo en/of bestraling.
Eerst een korte herhaling van de essentie, gezien in het licht van de hierna te bespreken therapie.
Zoals in het voorgaande aangegeven heeft candida het aanpassingsvermogen van een kameleon en ze paart een uitzonderlijk kleine afmeting aan een uitzonderlijk hoog pathogeen vermogen. Ze kan met de huidige geneeskundige onderzoeksinstrumenten niet eens worden waargenomen.
Conclusie: een effectieve en gerichte therapie moet dus rekening houden met niet alleen de macroscopische en statische verschijnselen van candida, maar tevens met de ultramicroscopische, vooral voor wat betreft zijn reproductieve dynamiek.
De weg via chirurgie, bestraling en/of chemotherapie lijkt doelmatig, doch heeft als mogelijk neveneffect dat uitsluitend de verbreiding van de schimmel wordt gestimuleerd, terwijl die toch bij schimmelvormen van zichzelf al voldoende sterk is.
Een adequate behandeling daarentegen dient rekening te houden met zowel het belang van het bindweefsel (dus niet beschadigen) als met de reproductieve complexiteit van schimmels. Dit impliceert een 2-sporenbeleid:
- Het reactiveren van het immuunsysteem met generieke versterkende middelen (voeding, supplementen, regulering van het levensritme en de levensfuncties, aandacht voor psychische traumata), zodat de verdedigingsmechanismen van het organisme op zich al op aspecifieke wijzen krachtiger wordt.
- Het toedienen van een zeer goed verspreidbaar en dus doeltreffend middel tegen schimmel, daarbij de extreme gevoeligheid van schimmels voor zoutoplossingen en elektrolytische oplossingen voor ogen hebbend die, vanwege hun enorm grote verspreidbaarheid, in staat zijn om alle (!) biologische schimmeluitingen in het lichaam te bereiken, met inbegrip van de allerkleinste, de sporen!
Vanuit die invalshoek is natriumbicarbonaat (bica) een uiterst eenvoudig, lichaamsvriendelijk en hanteerbaar wapen, dat ongeacht wélke neoplastische vorming kan verminderen, tegenhouden en uitroeien. Saillant daarbij is dat juist deze toepassing al bekend was bij de Indiase bevolking, getuige de oude Veda-geschriften, waarin aanwijzingen voor het bereiden van oplossingen en het gebruik daarvan tegen neoplastische formaties.
Wijze van toediening van natriumbicarbonaat
Het zal u inmiddels duidelijk zijn, dat met intraveneuze toediening (via een ader) van bica slechts positieve resultaten kunnen worden behaald bij bepaalde tumoren, terwijl bij andere, zoals tumoren in de hersenen of botten, langs deze intraveneuze weg geen doeltreffende en duurzame werking kan worden bereikt. Voor het rechtstreeks kunnen bereiken van het binnenste van de weefsels, dienen we gebruik te maken van:
- selectieve arteriografie: het in beeld brengen van specifieke slagaders met behulp van instrumenten, gevolgd door
- plaatsing van een arteriële port-a-cath: een katheter met reservoir op de slagader, waardoor hoge doseringen bica kunnen worden toegediend aan de diepste uithoeken van het desbetreffende orgaan. Bij bijvoorbeeld een hersentumor is het nu inmiddels mogelijk met deze selectieve arteriografie van de halsslagaders ongeacht welke hersenmassa te bereiken.
De enige uitzondering op deze doeltreffende benadering wordt gevormd in bepaalde botgebieden, zoals wervels en ribben, waar de arteriële doorstroming uiterst gering is, zodat dáár niet voldoende doses bij kunnen komen.
Ter geruststelling nog dit: Selectieve arteriografie is pijnloos en heeft geen nawerking. Na sterilisatie en plaatselijke verdoving van de oppervlaktelagen van de huid wordt er een naald ingebracht in de slagader, die als toegangsdeur wordt gebruikt, waarna via deze slagader een metalen geleider wordt ingebracht die door de angiograaf zichtbaar kan worden gemaakt en kan worden gebruikt om de gezochte slagader te vinden. Daarna wordt de katheter voor de toediening van de oplossingen aangebracht op de plek, die de geleider aangeeft en wordt deze vervolgens aangesloten op de onderhuidse port-a-cath die, zolang het nodig is, op de desbetreffende plaats blijft zitten.
Waarom specifiek bica, binnen het totale beschikbare veld van antimycotica?
Schimmels zijn in staat om snel hun eigen genetische structuur te veranderen! Na de eerste fase van gevoeligheid voor antimycotica (de verzamelnaam voor middelen tegen schimmels) kan de schimmel het bestrijdingsmiddel binnen korte tijd codificeren en metaboliseren (omzetten tot eenvoudige, uit te scheiden stoffen), zonder daar verdere schadelijke invloed van te ondervinden.
Een voor de hand liggende vergelijking is hier de bekende immuniteit van een bacterie bij veelvuldig gebruik van antibiotica.
Hoe is dat gesteld met bica?
Bica beschikt over een zeer grote verspreidbaarheid, het behoudt lange tijd het eigen vermogen van penetratie in de massa’s, ook en vooral vanwege de snelheid waarmee het deze massa’s uiteen doet vallen, zodat de schimmels zich er niet zodanig aan kunnen aanpassen, dat ze zich ertegen kunnen wapenen. Voor een vernietigende werking wordt bica van begin af aan gegeven in hoge doseringen, op constante wijze, in cycli zonder onderbreking, waarvan de eerste cyclus zeven of acht dagen duurt. De maximale dosering die in één sessie kan worden gebruikt, ligt rond 500cc oplossing van 5%, waarbij de dosis met 20% kan worden verhoogd of verlaagd al naar gelang de lijvigheid van de te behandelen patiënt.
In de inleiding van dit artikel heb ik gesteld, dat het geenszins mijn doel is olie op het vuur te gooien, doch om begrip te kweken voor de noodzaak zo spoedig mogelijk een wezenlijk andere weg in te slaan bij de behandeling van kanker. Het zal u inmiddels duidelijk zijn, dat ik daarbij doelde op een zo snel mogelijke substitutie van chemotherapie door het bicaconcept van oncoloog Simoncini, verwoord in zijn ook voor leken toegankelijk boek “Kanker is een schimmel; een revolutionaire behandeling van tumoren”.
De in deze materie – ik doel daarbij op die gewenste substitutie – goed geïnformeerde lezer zal echter de daaraan verbonden problematiek en de te verwachten tegenstand kunnen inschatten. Niet alleen de alleszins begrijpelijke en logische financiële betrokkenheid van de farmaceutische industrie (omzet in Italië naar verluidt circa drie miljard euro per jaar) bij de toepassing van chemotherapie en haar niet te loochenen impact op de reguliere geneeskunde, doch evenzeer de vasthoudendheid van de oncologie aan haar decennia geleden geformuleerde uitgangspunten met betrekking tot haar visie op de verklaring van het ontstaan van kanker beletten een snelle heroriëntatie en een objectieve benadering van de visie van oncoloog Simoncini.
Wellicht ten overvloede herhaal ik hier nog eens, dat Tullio Simoncini niet alleen een oncoloog is met tientallen jaren ervaring, doch tevens chirurg, endocrinoloog, diabetoloog en afgestudeerd in natuurkunde en filosofie.
Toch blijkt het mogelijk, zo leert ons een recente ontwikkeling, het proces van acceptatie in Nederland te versnellen. In 2002 mocht ik mede aan de wieg staan van een door prof. Robert Gorter ingeslagen weg, zijnde het uit eigen bloed prepareren van dendritische cellen ter versterking van het immuunsysteem van kankerpatiënten. Dit in combinatie met locale en totale hyperthermie, teneinde dat gereactiveerde immuunsysteem tot actie te noden. Een uitvoerige beschrijving daarvan vindt u in mijn boek “Voor en na de Diagnose; een ongelijke strijd” en de gelijknamige website. Zodra de reguliere geneeskunde daar destijds kennis van nam, werd het onderhavige idee bespot en verguisd. Inmiddels is echter hetzelfde concept nu ook in Nederland omhelsd en wordt zelfs hyperthermie vergoed door verschillende ziektekostenverzekeraars. Deze ontwikkeling werd mogelijk gemaakt, doordat de wetgeving in Duitsland op het hier relevante terrein verschilt met die in Nederland. In ons buurland mag de terminale patiënt zelf kiezen voor een therapie die hem als laatste redmiddel door een medisch specialist wordt aangeboden. Het is dan ook om díe reden, dat ik Simoncini heb verzocht zich met Duitse specialisten in verbinding te stellen. Het is derhalve niet ondenkbaar, dat binnen afzienbare tijd de geïnteresseerde Nederlandse terminale patiënt zich in Duitsland kan vervoegen voor een nadere oriëntatie ter zake natriumbicarbonaat, uiteraard met medeneming van zijn/haar medisch dossier en in overleg met, resp. melding aan, zijn Nederlandse specialist, die de patiënt terminaal heeft bevonden.
In de inleiding heb ik ook aangegeven, dat ik naast het pleidooi voor bica tevens concrete behandelingsgevallen vanuit deze visie onder uw aandacht zou brengen. Het behoeft nu geen verder betoog meer, dat ik mij daarbij zal moeten onthouden van eventuele voorbeelden, ontleend aan mogelijk Nederlandse patiënten; zulks ligt immers buiten mijn scoop. Waarom zouden in Italië met bica bereikte resultaten niet uw belangstelling hebben en de doeltreffendheid van de therapie niet ondersteunen en aantonen? Dit is dan ook een retorische vraag!
In zijn boek “Kanker is een schimmel” beschrijft Simoncini een groot aantal klinische casussen, waarvan ik er hier enkele summier zal beschrijven.
Klinische casus prostaatcarcinoom
Patiënt, chirurg van beroep, ondergaat in 1995 radicale prostatectomie (operatief verwijderen van de prostaat). In 1998 een recidiverend! gezwel in de prostaatloge. Behandeld met hormonale therapie en ultrasone geluidstrillingen. Vanaf 2001 een toename van de PSA-waarden en een toename van het gezwel. MRI toont een gezwel van 2,2 x 2,5 cm aan.
Op 25 juli 2001 wordt gestart met bica; een katheter wordt aangebracht in de buikslagader langs welke bicaoplossingen van 5% (500cc) dagelijks gedurende zeven dagen worden toegediend. Na de behandeling dalen de PSA-waarden constant van augustus tot oktober.
In december volgt nog een intraveneuze bestendigingscyclus en een MRI-scan laat in maart 2002 zien, dat de tumor volledig verdwenen is!
In het boek van Simoncini treft u op pagina 234 een verklaring van de desbetreffende patiënt – zoals reeds opgemerkt zelf een chirurg – over zowel de behandeling als het bereikte resultaat en zijn grote respect voor Simoncini.
Klinische casus metastatische mergcompressie
Patiënte van 40 jaar ondergaat een radicale mastectomie van de linker borst vanwege een vastgesteld borstcarcinoom.
Na gedurende drie maanden daaropvolgend chemotherapie blijkt de patiënte nu tevens te lijden aan: diffuse long- en levermetastasen, botmetastasen met invasie en compressie van het mergkanaal, hetgeen leidt tot extreem veel pijn, die niet reageert op ongeacht welke behandeling. Er wordt haar palliatieve bestraling aangeboden, die zij echter weigert, zich bewust zijnd van de waarschijnlijk noodlottige gevolgen daarvan.
Simoncini stelt in dit stadium voor een lumbale punctie te verrichten met bica en hij injecteert langzaam 50cc van een natriumbicarbonaatoplossing van 8,4%. Onderhavige patiënte belt de volgende dag Simoncini met de enthousiaste mededeling ‘de gehele nacht te hebben geslapen, zonder enige pijn!” Na nog eens twee toedieningen van bica werden de daarop volgende MRI-scans van vóór en na de behandeling door een bevriende radioloog als ‘schokkend’ ervaren voor wat betreft het verschil.
Vanaf pagina 192 tot en met pagina 236 behandelt Simoncini in zijn boek achttien klinische casussen met een uitgebreide toelichting, geïllustreerd met foto’s van de desbetreffende organen en aangevuld met verklaringen van de desbetreffende patiënten.
U zult zich wellicht – terecht – afvragen wat mij toch motiveert om een lans te breken voor een doorbraak in de behandeling van tumoren. Deze als missie ervaren doelstelling heeft meer dan één achtergrond. Al mijn vroegere gezinsleden werden geconfronteerd met tumoren. Bij mijn vader, zusje, broertje en moeder waren de primaire tumoren respectievelijk prostaatkanker, borstkanker, darmkanker en huidkanker. Zij honoreerden het advies van operaties, chemo en bestraling en werden uit het ziekenhuis ontslagen. Vrij kort daarna volgden als secundaire kankers bij mijn vader bot- en longkanker; bij mijn zusje leverkanker, gevolgd door een hersentumor; bij mijn broertje leverkanker. Triest, de essentiële ‘details’ bespaar ik u hier, doch gememoreerd dient te worden de diskwaliteit van leven na hun behandeling met chemo.
Toen bij mij nu ruim tien jaar geleden prostaatkanker werd gediagnosticeerd en mij terloops werd toegevoegd, dat mij nog zes maanden zouden resten als ik geen reguliere behandeling zou accepteren, waren de ervaringen bij mijn familieleden voor mij voldoende aanleiding om dit genereuze aanbod af te slaan en mijn eigen weg te zoeken. Een beschrijving van mijn ervaringen daarna treft u uitvoerig aan in mijn recent verschenen boek “Voor en na de Diagnose” en op de gelijknamige website. Een gedetailleerde inhoudsopgave, uitgesplitst naar hoofdstuk en onderwerp, geeft u een indruk van de opbouw van de stof.
Gedurende de afgelopen jaren begeleid ik, vanuit een door mij opgerichte Stichting, terminale patiënten, resulterend in een omvangrijke verslaglegging ter zake, het terminale proces, waardoor ik uit onverdachte hoek een inkijk verkreeg in therapieën en hun al dan niet bereikte resultaten.
Vanuit de oprichtingsakte van de Stichting acht ik het daarnaast een noodzaak om mij mondiaal via internet te oriënteren ten aanzien van nieuwe behandelingsmethoden en daaraan gerelateerde visies, hetgeen er onder meer toe leidde, dat ik in contact kwam met de reeds genoemde prof. Robert Gorter in Duitsland (dendritische cellen en hyperthermie) en de oncoloog Tullio Simoncini in Rome.
Robert Gorter en Tullio Simoncini hebben onder andere gemeen een geweldige inzet, een ongebruikelijk grote empathie voor de patiënt en een maximale bereidheid tot support, hetgeen zich onder meer uit in een vrijwel continue bereikbaarheid per e-mail en mobiele telefoon.
Aangezien ik door drukke werkzaamheden niet in de gelegenheid ben – en mij daarvoor evenmin voldoende deskundig acht – om eventuele vragen over bica adequaat te beantwoorden, verwijs ik naar het boek “Kanker is een Schimmel”, alwaar u op bladzijde 270 het mobiele nummer en het e-mailadres zult aantreffen van Simoncini. Dit boek (en ook de Engelstalige versie) kan desgewenst via mij besteld worden. Tevens vermeld ik aan het slot een website waarop u uitvoerige informatie over het onderwerp zult vinden.
Alhoewel het vrijwel ondenkbaar is, dat hieromtrent – na al het voorgaande – misverstanden zouden kunnen bestaan, eerst nog enkele afsluitende opmerkingen:
* Natriumchloride (NaCl) en natriumbicarbonaat (NaHCO 3) hebben dezelfde – hier etnische – verwantschap als Sinterklaas en Zwarte Piet. Polemieken op websites geven echter blijk van de nodige misverstanden.
* Natriumbicarbonaat wordt – specifieke tumoren buiten beschouwing latend – níet ingenomen via maag en darmen, doch intraveneus, intra-arterieel of via b.v. de buikholte.
* Natriumbicarbonaat wordt toegediend in een concentratie van 5% (en soms, in bepaalde gevallen van korte duur, 8,4%). In doses die reeds vele decennia in een ziekenhuisomgeving worden toegepast bij tientallen pathologieën. Sterker nog: ook bij toediening van chemotherapie, om de vreselijke verzuring door de chemo enigszins tegen te gaan.
* Dr. Simoncini is in Italië níet uit de orde gezet vanwege medische missers, doch om redenen die in mijn voorgaande betoog impliciet en soms expliciet werden vermeld en die voor de in deze materie ingewijde lezer alleszins duidelijk zullen zijn.
* om dit laatste wat krachtiger te onderbouwen, citeer ik hier een alinea uit Nexus Magazine van september 2007: “Theimplications of my (lees: Simoncini) hypothesis that cancer is a fungus which can be eradicated with sodium bicarbonate are, that
1) eighty years of genetic study and application have been for nothing, especially considering that the genetic theory of cancer has never been demonstrated;
2) the loss of millions, if not billions, of lives with all the suffering has been for nothing;
3) the billions of dollars spent on chemotherapy, radiotherapy etc. have been for nothing;
4) the recognition and prizes given to eminent researchers and professors have been for nothing;
5) the oncologist could be replaced by the family doctor;
6) the pharmaceutical industry will incur tremendous financial losses while sodium bicarbonate is inexpensive and (!) impossible to patent!
* Nog even stilstaand bij de statement ‘de oncoloog kan worden vervangen door de huisarts’: Wie durft nu nog te beweren dat Simoncini zijn missie uitdraagt uit persoonlijk gewin?!
Hij bleek zelfs bereid te zijn daarvoor zijn maatschappelijke positie op het spel te zetten!
* De officiële overlevingscijfers in de VS en Australië op basis van de reguliere therapie bij kanker zijn op vijf jaar slechts 2,5%; zie voor verdere gegevens mijn website.
* Blijkens een in de V.S. gehouden enquête onder oncologen! met daarin de expliciete vraag of zij na de diagnose kanker, zich ook zélf zouden onderwerpen aan chemotherapie, antwoordde circa 75% van de respondenten ontkennend, met daarbij als argumenten aanvoerend de geringe kans op enig resultaat en de diskwaliteit van leven na de behandeling.
Voor nadere en aanvullende gegevens over het onderwerp natriumbicarbonaat kunt u terecht op de sites www.curenaturalicancro.org en www.voorennadediagnose.nl .
Op de onderstaande foto ziet u een vitale en charmante man, naast een ‘man op leeftijd’. Dat charmante verraadt de Italiaan en het valt dan ook niet moeilijk om daarin Tullio Simoncini te herkennen.
.JPG)
Tot slot dank ik oprecht die lezer, die bereid bleek mijn betoog tot het einde toe te volgen.
Henk Trentelman

|
|